Lezing Ton de Kok

Bijeenkomst Spinozakring Wageningen 24 februari 2019

page1image3837824

Voordracht van Ton de Kok, geschreven door Henriette Visser

Achtergrond van Ton:
Studie Slavistiek, onderwijs, lid Tweede Kamer, proefschrift (over vroeg 19e eeuwse Russische filosoof), terug in onderwijs, studie godsdienstfilosofie.
Zijn thema in het onderwijs op een middelbare school: Hoe hebben denkers in de geschiedenis vanaf ± 400 voor jaartelling geworsteld met het bestaansmysterie. Dit thema heeft hij uitgebouwd tot een boek getiteld: ‘Wat is god? Filosofen en schrijvers op zoek’.

Voordracht

Spinoza is het draaipunt van alle filosofisch-religieus denken. Hij heeft het transcendente godsdenken omgezet in immanent godsdenken. God is de natuur, niks transcendent. Hij heeft zich gebaseerd op de zgn. atomisten: Democritus, Epicuris en Lucretius. Dan volgt Spinoza. Spinoza heeft het atomisme, materialisme uitgebouwd en een eigen concept gegeven.

Je ziet vervolgens dat wetenschappers en kunstenaars hiermee doorgaan. Einstein, Max Planck, Mondriaan, Leo Vroman, Vincent van Gogh en Munck bijvoorbeeld stappen uit dat transcendente geloof en weten dan niet: wat nu? Alle wetenschappers en kunstenaars die ik in mijn boek portretteerde, zijn bezig met de worsteling met het bestaansmysterie.

Je kan je afvragen wat het verschil is tussen god voor niet-gelovigen en de god van Spinoza. Ik vertel in lezingen het volgende: Spinoza. keek gewoon om zich heen en zei ‘Dit is de ultieme werkelijkheid, de kosmos, het heelal, meer zie ik niet’. En dat noemde hij substantie. Hierboven kon hij niets hogers denken.

Ook Anselmus (11e eeuw) heeft geprobeerd op deze manier een godsbewijs te leveren; hij heeft gezegd: ‘Heer, boven u kan ik niets hogers denken’, en ‘Het bestaan hoort bij een volmaakt wezen en daarom bestaat god’. Dat is later door Descartes nog eens herhaald.
Feit is dat wij het begrip ‘god’ hebben, waarom hebben we dat? Er is in de hele geschiedenis niemand die heeft gezegd god, wat bedoel je eigenlijk? Iedereen verbindt ‘god’ ergens mee.

De mooiste definitie van ‘god’ is van Spinoza, hij ging niet verder dan de werkelijkheid: ‘god is voor mij de erenaam, de eigennaam voor de ultieme werkelijkheid waarin wij allen in aanvaarding en in berusting trachten te leven’. Dat is het hele godsbestek van Spinoza.
‘Er is een ultieme werkelijkheid, dat zijn deeltjes, natuurwetten, ik heb helemaal geen god nodig’, aldus Democritus, ‘Geloof in de goden is gebrek aan kennis, projectie’. Dat is recht tegen alle goden van de Grieken in. Hier is dus al sprake van materialistisch denken; de materie, de kosmos is eeuwig. Dus creatio ex nihilo -schepping uit het niets voor de christenen- bestaat niet.

Ook Spinoza gaat niet verder dan die ultieme werkelijkheid. En hij ziet in die natuur, die god-natuur, een immanente intelligentie. Want alles wat gebeurt, de hele creatieve kracht in de natuur is god.

De oerknal en Intelligent Design

Ook Einstein en Planck spreken over een ‘allmächtigen Vernunft’, ofwel een superieure intelligentie in de natuur. En daar is geen speld tussen te krijgen. Vraag is natuurlijk -en die stelden de oude Grieken ook- waar komt die intelligentie vandaan? Dat weten we nog steeds niet. We aanvaarden dus een immanente intelligentie waar we in alle opzichten dagelijks mee te maken hebben. We weten niet waar die vandaan komt.

Het zijn de Intelligent Design-aanhangers die op een gegeven moment in discussie zijn over de kwaliteit van de oerknal: Is de oerknal uniek? Of -zoals de atheïsten zeggen- nee, de oerknal is niet uniek; er moeten een oneindig aantal oerknallen zijn geweest en er is een multiversum. Hoe is dat gekomen?

Als Spinoza van de oerknal had geweten en als we konden bewijzen dat de oerknal uniek en dus eenmalig is, dan was zijn hele werk op z’n gat gevallen. Want zijn hele substantie is een eeuwig begrip. Als de oerknal uniek is, was er daarvoor niets. Je ziet dan door de geschiedenis heen dat Einstein en Planck, die ook nog uitgaan van een steady heelal, plotseling worden geconfronteerd met de oerknal.
Atheïsten schrikken zich dan te pletter, want nu is er wéér een godsmoment, de oerknal. En gelovigen zetten daar hun god neer, hun god die in de geschiedenis voortdurend is teruggedrongen door Copernicus en vooral door Darwin die met een ruk het tapijt onder gelovigen wegtrok.
Kees Dekker (hoogleraar nanofysica in Leiden, winnaar Spinozaprijs) -je weet niet wat je meemaakt als je dat leest- was creationist, hij geloofde tot aan zijn hoogleraarschap in de zevendaagse schepping. M.b.v. de evolutietheorie heeft men hem moeten ompraten en eindelijk is hij meegegaan. Samen met minister van Economische Zaken Maria van der Hoeven stelt hij in zijn zgn. intelligent design-ont- wikkeling: ‘De evolutie is veel te complex om zomaar door trial and error te zijn ontstaan, dus er moet een plan achter zitten en als er een plan achter zit, zit er een plannenmaker achter’.

Vervolgens ontstaat er een hele discussie tussen gelovige en niet-gelovige wetenschappers in de Beurs in Amsterdam, waar Dekker ongelooflijk om zijn oren wordt geslagen met de evolutietheorie. Want wat is er aan de hand? Hoezo intelligent? De evolutie is helemaal niet intelligent in die zin dat er een plan achter kan zitten. Want als je naar de evolutie kijkt -en je ziet daarvan op National Geographic Wild regelmatig de mooiste natuurdocumentaires- dan zegt een beetje rationalist: natuurlijk, mooi, maar dat is wat er overgebleven is van de evolutie. En de rest is mislukt, dat is vastgelopen, afgestorven enz. Als er een geniale, alwetende en almachtige god achter had gezeten, dan was het zo niet gegaan. En als er een architect was geweest die zoals deze god hiermee zou zijn omgegaan, die had kathedralen had moeten bouwen, dan was die nooit van de grond gekomen.

Dus Kees c.s. (d.w.z. 22 wetenschappers die over hun geloof verhalen in een boek getiteld ‘Geleerd en gelovig’) moesten nog een stap verder. Je weet niet wat je leest, mensen die heel primair geloven. Een van hen, een Nijmeegse hoogleraar preventieve geneeskunde, stelt in dit boek getuige te zijn geweest van het aangroeien van een been van een mank persoon tijdens een gebedsbijeenkomst: ‘God heeft de natuurwetten ontworpen en god is ook in staat de natuurwetten even uit te schakelen, ik geloof in won- deren’. Met andere woorden, dergelijk geloof is nog helemaal aanwezig.

Terug naar Spinoza

Geloof op basis van de rede, religie binnen de rede. Daar ben ik mee bezig met scholieren, geen transcendent geloof of wat dan ook, nee, gewoon nadenken over het feit dat er iets is en niet niets. De eerste vraag die ik altijd stel aan nieuwe leerlingen in september is: Wat is de meest existentiële vraag die je kan stellen? Eerst moet ik dan uitleggen wat existentieel is. De levens-, de bestaansvraag. En dan komen ze met vragen als: hoe word ik gelukkig, waar kom ik vandaan? Prima, maar daar gaat één vraag aan vooraf. Deze tafel is er, jullie zijn er, de wereld is er, waarom? Op die vraag krijg je nooit antwoord. Je moet vragen: waardoor is er iets en niet niets? Dan kom je zover dat je begrijpt dat wij causaal denkende wezens zijn. We gaan dus vragen: waar komt alles vandaan? Wat is god? En dan kom je op de godsbewijzen van Thomas van Aquino, en bij de oerknal. Want dan ga je terug redeneren. En op een gegeven moment is er sprake van een onbewogen beweger. Als je naar de bladeren kijkt, die worden bewogen. Waardoor? Door de wind. Waar komt de wind vandaan? Drukverschillen enz enz. En dan kom je bij iets dat de eerste beweger is geweest. Maar die is zelf onbewogen, want anders kan je eeuwig terug redeneren. Dat deed men in Spinoza’s tijd niet, want god is eeuwig, god is de eerste beweger.

En nu met die oerknal is er de discussie tussen de mensen die god weer een plaats willen geven en zeggen: die oerknal is uniek voor ons en het is niet bewezen dat die niet uniek is, en atheïsten die zeg- gen: nee, er is een oneindig aantal oerknallen geweest en er zijn een oneindig aantal universa.
En dat is ook niet bewezen. Een patstelling dus.

Eigenlijk is het hele spreken van Spinoza religie binnen de rede. Voor hem is religie handelen. Dan kom je tot een heel ander concept. En dan voert hij de conatus in, de dwang tot voortzetting van je bestaan.

“Maar ook zelfontplooïng”.

Ja, en optimalisering van je bestaan. Tegen mijn leerlingen zeg ik: Jullie belangrijkste belang is je eigen belang. Maar word ik dan geen egoïst? Nee, want Spinoza heeft eraan toegevoegd: Je moet weloverwogen met je eigen belang omgaan. Dan wordt het christelijke naastenliefde. Want Christus zei: Heb je naaste lief als jezelf. Wie goed doet, goed ontmoet. En doe een ander niet wat je niet wilt dat jou geschiedt. Drie keer spreekt de christen over zichzelf in relatie tot de naastenliefde. En Spinoza is de andere kant van de medaille die zegt: Hoezo naastenliefde? Je bent gewoon een diersoort, je wordt gedwongen tot voortzetting van je bestaan, dat zie je in de hele natuur. Alles is bezig met voortzetting en optimalisering van zijn bestaan. En als je dat verstandig doet -dus wat de christen naastenliefde noemt- als je ook voor anderen zorgt: eigenbelang!

Voorbeeld: mijn vrouw deed vrijwilligerswerk in een hospice. Dat is eigenbelang, zei ik. Ik kreeg de wind van voren. Maar een vrijwilliger is bezig met eigenbelang, weloverwogen, doet goed naar anderen. Zin geven aan je leven is het grootste eigenbelang.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.